We redden ons wel

We redden ons wel

“We moeten een ziekenhuisopname er natuurlijk wel inhouden als papa op motorvakantie is.”, grapt Morris naar een verpleegkundige die ons toevallig volgt via Instagram. Altijd wanneer Erik op motorvakantie ging belandde Roos vlak voor of tijdens zijn vakantie onverwacht in het ziekenhuis. Soms cancelde Erik zijn vakantie, soms kwam hij gelijk terug, soms besloten we samen dat hij gewoon op vakantie moest gaan of moest blijven en soms verzweeg ik dat we in het ziekenhuis waren om hem niet ongerust te maken. Overigens maakte ik dan altijd een afweging of het (zeer) ernstig was of niet.

Erik is vrijdag op motorvakantie gegaan, maar dit keer is het Morris die in het ziekenhuis beland. Zondagavond klaagt Morris over benauwdheid, maandag blijft hij thuis van school, moet hij overgeven en wordt met het uur benauwder. En wanneer hij ‘s avonds een ademfrequentie tegen de 60 heeft en flink ademarbeid verricht (in z’n slaap), besluit ik de huisartsenpost te bellen voor advies. En zo belanden we van de huisartsenpost bij de kinderarts. En van de kinderarts op de kinderafdeling. Morris blijkt een atypische longontsteking te hebben. Er wordt gestart met antibiotica en hij krijgt wat zuurstofondersteuning om letterlijk en figuurlijk op adem te komen. Wanneer we eindelijk een kamer hebben rond middernacht app ik Erik. Gelukkig is hij nog wakker. Hij vraagt of ik het confronterend vind om in het ziekenhuis te zijn en of hij terug moet komen. Het is niet nodig. We redden ons wel.
En dat meen ik ook echt. De spanning die ik altijd voelde in m’n schouders bij opnames van Roos, voel ik nu niet. Ik denk niet “Oh, daar gáán we weer…” en ik schiet ook niet in de regelmodus of overlevingsstand. Het hoeft niet, want het is nu gewoon Morris en ik. En verder niets.

‘s Nachts kom ik moeilijk in slaap. Morris had het zwaar. Zo zielig. Had ik eerder in moeten grijpen? Eerder moeten bellen? Ik besef me dat ik zoveel gewend ben dat ik niet snel meer schrik. Mijn kaders zijn zo anders geworden door de situatie van Roos. En daar schuilt natuurlijk ook een gevaar. Morris is niet Roos. Morris is Morris. Verder gezond.
Ook de vraag van Erik over het ziekenhuis maalt door mijn hoofd. Vind ik het confronterend om hier te zijn? Nee, dit is een ander ziekenhuis, hier liggen geen herinneringen aan Roos en dus koppel ik dit ziekenhuis niet aan Roos. Ik wil alleen gewoon zo snel mogelijk naar huis omdat ik geen zin heb in een (lange) opname… Het zit nog in m’n systeem.

De volgende dag voelt Morris zich al een stuk beter. Je kunt zien dat hij baat heeft gehad bij de zuurstof. Hij is minder benauwd, heeft praatjes en eet en drinkt weer. “Ik voel me net een koning…”, zegt hij, terwijl hij vanuit zijn bed een game speelt op de PlayStation 5. De zuurstof wordt afgebouwd, de artsen komen langs en hoewel ik het beleid een beetje een paniekprotocol vind besef ik me weer dat Morris niet Roos is. En dus leg ik me er bij neer dat we nog een nacht moeten blijven. We redden ons wel.
We liggen knus samen op bed film te kijken, hij leert me gamen, we kletsen, spelen een potje kaarten of lopen een rondje op de afdeling. Ik merk dat ik ontspannen ben, wat misschien gek is in deze setting, maar ook hier komt weer het besef: ik ben teveel gewend. Daarnaast is Morris zelfstandig en kan hij heel goed verwoorden wat hij vindt, voelt en denkt. Knap! Een opname met Morris is minder hard werken.

Na twee nachten wordt Morris ontslagen. Hij mag thuis verder aansterken. We zijn beiden blij. We hebben ons samen goed gered in het ziekenhuis. Wanneer we door de hal richting de uitgang wandelen, vliegt het me aan. Het was nu gewoon Morris en ik. Verder niets. Maar daardoor heb ik er geen moment aan gedacht dat dit ziekenhuis wel degelijk gekoppeld is aan Roos. En hoe!
Ik besef het me ineens wanneer ik in de hal loop. De hal waar ik ooit met een dikke buik en weeën liep… Morris en ik hebben ons samen gered in het ziekenhuis waar Roos geboren werd.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *