Koffer vol herinneringen…

Koffer vol herinneringen…

Roos was net 4 jaar toen ze voor het eerst ging logeren in het logeerhuis van Ilmarinen. Eerst een nachtje om te proberen, en als dat goed ging zou ze iedere maand een weekend gaan logeren.
Ik vond het verschrikkelijk…
Het idee dat wij ‘gewoon’ thuis waren met Morris, terwijl we Roos ‘wegstopten’ in het logeerhuis. Het idee dat begeleiders haar nog niet kenden… en de vraag of dat wel zou gaan komen als ze haar maar een weekend per maand zouden zien. Zouden ze haar begrijpen? Haar epilepsie herkennen? Haar kunnen troosten als ze verdrietig zou zijn en goed voor haar zorgen? En het meest verschrikkelijke vond ik het idee dat er ‘s nachts fysiek geen begeleiders aanwezig waren in het logeerhuis. In plaats daarvan zat er iemand boven de poort in het gebouw ernaast en werd er gewaakt met een zogenaamd inluistersysteem. Overigens bleef ik dat laatste al die jaren verschrikkelijk vinden, al kwam er iets meer rust toen Roos een eigen camera boven haar bed kreeg en er extra rondes gelopen werden wanneer zij logeerde.

Het logeren kwam niet uit de wens het graag te willen, het kwam omdat wij niet anders konden. Ergens moest ruimte gecreëerd worden om binnen de 24/7 zorg en zorgen adem te kunnen halen. Niet om bij te tanken… dat lukt namelijk ècht niet met één weekend per maand.
In de weken voor de eerste keer logeren was ik er druk mee bezig. Om het beter te laten voelen voor mezelf, kocht ik een knalroze koffer die ik met zorg versierde met kleurrijke sterren. En ik schafte, op verzoek van het logeerhuis, een mooie waszak aan die perfect paste bij lieve Roos. Een vrolijke gele met roze hartjes. De waszak die ik vanmorgen terugvond in de logeerkoffer met ijsjes. De koffer die ze een paar jaar geleden -toen er een grotere koffer nodig was- zelf uitzocht.

Tot haar overlijden logeerde Roos structureel een keer per maand. Meestal van donderdag tot zondag. Soms iets korter en soms lukte het helemaal niet door ziekte, een opname of omdat de zorg niet geboden kon worden (al kreeg ze de laatste jaren één-op-één zorg). Ongeveer één keer per jaar, wanneer de zorg en het rooster dat toelieten, logeerde ze iets langer zodat wij een stedentrip of kort reisje naar het buitenland konden maken. Het langst dat Roos ooit logeerde was zes nachten achtereen. Langer voelde voor ons niet goed. We misten haar te veel.

Ik wende aan het idee dat we in de logeerweekenden even geen rekening hoefden te houden met medicijntijden, medische handelingen en zorgen. Ik wende aan het feit dat we konden gaan en staan waar we wilden en wanneer we wilden. En ik wende aan het heel even ‘uit’  staan. Overigens weet ik nu dat we toen nooit echt uit hebben gestaan; we stonden in de stand-by modus.
Maar wennen aan dat Roos ging logeren deed ik niet. Ik bleef het al die jaren verschrikkelijk vinden.

Iedere keer wanneer Roos ging logeren voelde ik een soort onrust. Ik pakte altijd met een knoop in m’n maag haar koffer in en de tranen prikten achter m’n ogen als ik Roos bepakt en bezakt in de taxi uitzwaaide. En iedere keer voelde ik me weer schuldig. En verdrietig. Schuldig omdat wij ‘gewoon’ thuis waren met z’n allen, terwijl zij ‘moest’ logeren. Zelfs wanneer het minder goed met haar ging. Verdrietig omdat ik wist dat we het nodig hadden om overeind te kunnen blijven staan.

Gisteren ruimde ik Roos haar koffer op.
Bij het openen van de koffer herinnerde ik me weer hoe opgelucht ik altijd was wanneer we Roos zondagmiddag ophaalden uit het logeerhuis. Hoe we Roos overlaadden met knuffels en kusjes. Hoe blij we altijd waren dat we weer samen thuis waren. En de tranen stroomden over mijn wangen toen ik Roos haar logeerkoffer voorgoed op zolder zette…

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *